Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1295.

In de feitenrechtspraak in jeugdzaken wordt deze regel niet onverkort toegepast, zoals onder andere blijkt uit onderhavige zaak waarin het OM wegens overschrijding van de redelijke termijn niet ontvankelijk werd verklaard. Zoals hierna nog uitvoeriger uiteen zal worden gezet, is er in de feitenrechtspraak sprake van verdeeldheid over de vraag of in gevallen van aanzienlijke overschrijdingen van de redelijke termijn, ondanks de rechtspraak van de Hoge Raad zoals hiervoor weergegeven, toch tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan worden besloten. Het gaat dan om gevallen waarin berechting en bestraffing van de minderjarige volgens de rechter door de lange duur van de strafrechtelijke vervolging zin- of nutteloos is geworden. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) ertoe verplichten dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebdc9e098512f227d6012cb0193216ec046bb54cf3cced0d6f70157c62d46568. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebdc9e098512f227d6012cb0193216ec046bb54cf3cced0d6f70157c62d46568, en de alinea staat in dat document op bytes 7747 tot 8840.