Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015

Alinea 196 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1295.

31. De vraag is welke betekenis aan het woord ‘meer’ in de laatste zin moet worden toegekend. Vellinga meende, in navolging van Mijnarends, in zijn aan het arrest van 16 december 2003 voorafgaande conclusie dat er bij art. 40 lid 2 IVRK wél aan een kortere termijn moet worden gedacht dan bij het IVBPR en het EVRM, omdat deze verdragen een afdoening zonder onredelijke vertraging beogen, terwijl het IVRK bepaalt dat er “zonder vertraging” moet worden beslist. Mijnarends merkt daarover op dat de nadere bepaling van het begrip “vertraging” moet worden gerelateerd aan het doel van de jeugdstrafrechtspleging waarbij het verbod op vertraging eerst en vooral strekt tot bescherming van de jeugdige. De negatieve effecten van de onzekerheid over de afdoening van een strafzaak ontstaat bij de jeugdige sneller dan bij de volwassene en de gevolgen van een vertraagde afdoening zullen ook een zwaardere invloed hebben. Het zijn van verdachte leidt tot stigmatisering van de jeugdige en uit onderzoek blijkt dat hoe langer de tijd tussen het gepleegde delict en de uiteindelijke straf is, hoe lager het rendement en hoe moeilijker het is voor de jeugdige de straf en het delict aan elkaar te relateren. Uit de afdoeningstermijnen die worden genoemd in de Kalsbeeknormen en de Aanwijzing Richtlijnen strafvordering jeugd en adolescenten blijkt dat de betrokken overheidsinstanties zijn doordrongen van het belang van een snelle afdoening zonder vertraging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebdc9e098512f227d6012cb0193216ec046bb54cf3cced0d6f70157c62d46568. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebdc9e098512f227d6012cb0193216ec046bb54cf3cced0d6f70157c62d46568, en de alinea staat in dat document op bytes 87479 tot 89120.