Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2015
Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:149.
“Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, zal in de regel worden bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. De wijze waarop zij wordt begroot kan daarbij van groot belang zijn. Wordt de schade abstract berekend naar het tijdstip van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust (bijv. in geval van waardevermindering van een zaak, H.R. 13 december 1963, N.J. 1964, 449), dan zal zij terstond opeisbaar worden, ook al staat het bedrag van de schade nog niet vast (H.R. 2 februari 1962, N.J. 1964, 329). Maar wordt de schade vastgesteld op bepaalde in concreto gemaakte kosten (bijv. in geval van letselschade, ziekenhuiskosten), dan zal men kunnen aannemen dat de opeisbaarheid pas ontstaat, doordat de benadeelde deze kosten opeisbaar verschuldigd wordt. Zo zal het ook bij schade die van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhangt (artikel 6.1.9.10), verschil maken of deze schade bij voorbaat wordt vastgesteld op een bedrag ineens, dan wel aan de aansprakelijke persoon een uitkering wordt opgelegd waarvan de termijnen pas in de toekomst telkens opeisbaar zullen worden.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/27eaa8ccdd3fcb1a5ddc978f603294715cf876c09118fcfe7e7120163a7c9a18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 27eaa8ccdd3fcb1a5ddc978f603294715cf876c09118fcfe7e7120163a7c9a18, en de alinea staat in dat document op bytes 45865 tot 47012.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/27eaa8ccdd3fcb1a5ddc978f603294715cf876c09118fcfe7e7120163a7c9a18 | shasum -a 256