Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 augustus 2015

Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 14 augustus 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1664.

Een meer inhoudelijke kijk is deze: gewaakt moet worden voor uitholling van kwekersrechtelijk voorbehouden handelingen. Te koop aanbieden mag niet. Daar moet niet van kunnen worden “afgeknabbeld” met gewiekst opereren in de vorm van gemodereerd aanbieden voor de toekomst, opereren met prijslijsten (mede) voor Nederland, later voor Nederland intrekken van een aanvankelijk ongeclausuleerd aanbod en dergelijke. Voor het verwante octrooirecht is al lang uitgemaakt dat te koop aanbieden ruim moet worden opgevat en dat dat soort praktijken inbreuk opleveren. Dat is in de met Nederland belangrijkste Europese octrooilanden Duitsland en Engeland ook het geval . Daar valt ook aanbieden op termijn onder. Waarom zou dat in het kwekersrecht opeens anders zijn? Ik zie niet in waarom de ratio voor een ruime uitleg van octrooirechtelijk voorbehouden handelingen (vgl. de hiervoor geciteerde passage uit de conclusie van Huydecoper voor Pharmachemie/Glaxo, nr. 2.20) niet evengoed op zou moeten gaan voor het kwekersrecht. Het wekken van belangstelling voor verkoop van beschermd teeltmateriaal na einde kwekersrecht maakt immers dat niet is uitgesloten dat geïnteresseerden wachten met de aanschaf waardoor de kwekersrechthebbende (potentieel) schade lijdt. Het aanbieden (mogelijk) voor de toekomst leidt dan wel niet tot directe vrije beschikbaarheid van het teeltmateriaal in het verkeer, maar maakt wel dat de bereidheid om teeltmateriaal van de kwekersrechthebbende af te nemen, kan afnemen, met verstoring van de uitoefening van dit kwekersrecht tot gevolg. Dat is een volgens mij niet te rechtvaardigen uitholling van de rechten van de kwekersrechthebbende op dezelfde manier als dergelijk gedrag in het octrooirecht is aangemerkt aan inbreukmakend. Dat bepaalde handelingen met het oog op exploitatie van het ras van een kweker geen schadelijke invloed uitoefenen op de nieuwheid is van een andere orde; dat argument uit de opinie van Van der Kooij acht ik niet overtuigend. Bij navolging van deze ruime leer is dan sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van inbreuk en gaat de deur van het exhibitiehuis open. Er is in deze zaak voldoende twijfel om je gerechtvaardigd af te kunnen vragen of hier geen sprake is van aanbieden op termijn, zodat een gerechtvaardigd vermoeden van (dreigende) in breuk aanwezig is. Dan kan je wel zeggen: dat is het domein van de feitenrechter, maar die moet wel een faire maatstaf hanteren. Dat lijkt hier niet te zijn gebeurd, zodat de klachten in essentie slagen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/23b296de999e1ab53aa37a75be5aa496cc7f2fab2a9df0f58fcfbddd94be0e10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 23b296de999e1ab53aa37a75be5aa496cc7f2fab2a9df0f58fcfbddd94be0e10, en de alinea staat in dat document op bytes 79275 tot 81894.