Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2015
Onder 3.6 Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2091.
Bij het voorgaande merk ik nog op dat de vraag of borgstelling plaatsvond ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap, niet beantwoord kan worden door enkel te beoordelen of de beschikbaar gekomen gelden aangewend dienden voor de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten. In dat geval zou bijvoorbeeld ook bij borgstelling in het kader van een noodkrediet dat verstrekt wordt om de verliesgevende activiteiten van een insolvente onderneming nog korte tijd te kunnen voortzetten, de instemming van de andere echtgenoot niet nodig zijn. Dat laatste is niet verenigbaar met de strekking van art. 1:88 lid 1 en lid 5 BW. Dat een dergelijke toepassing van art. 1:88 lid 5 BW onjuist is, kan overigens ook reeds worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT2632, NJ 2006/96). In dat arrest werd overwogen (in rov. 3.5):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a5af604270aa788ffc9c67c89d063291d7fcdd4d497b932c40479083bf9cd6b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a5af604270aa788ffc9c67c89d063291d7fcdd4d497b932c40479083bf9cd6b, en de alinea staat in dat document op bytes 26333 tot 27286.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0a5af604270aa788ffc9c67c89d063291d7fcdd4d497b932c40479083bf9cd6b | shasum -a 256