Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2015

Onder 3.6 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2200.

Art. 69 EOV en het Protocol schrijven voor dat men zich “terdege rekenschap” moet geven van equivalenten, maar geven niet aan op welke manier dat moet gebeuren. De wijze van rekening houden met equivalenten is dus niet specifiek vastgelegd en uit het verschafte overzicht blijkt dat men dat in de belangrijkste Europese octrooilanden op nogal verschillende wijze doet, zij het dat een tendens valt te bespeuren in Engeland, Duitsland en ook Nederland om dat te doen door verruimde Protocolaire uitleg, waar nodig. Nederland kent volgens mij geen specifieke, zuivere equivalentieleer, wel een overwegend gehanteerde set hulpmiddelen overgewaaid uit de VS om technische equivalentie vast te stellen. Uw Raad heeft het gebruik door de feitenrechter van de function-way-result toets (als hulpmiddel) niet verboden, maar daarmee nog geen principiële keuze gemaakt voor een bepaalde equivalentiebenadering. In dat stelsel is een benadering toegestaan, die de feitenrechter in staat stelt om van geval tot geval te bezien welke toets gelet op het relevante kenmerk het meest geëigend is. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de rechter op begrijpelijke en toereikend gemotiveerde wijze equivalentie beoordeelt, daarbij recht doend aan de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de maatregelen en van de betrokken stoffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6fac40210c6833121d575ede37dcabfc743789441612ea2babe90b163df956ec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6fac40210c6833121d575ede37dcabfc743789441612ea2babe90b163df956ec, en de alinea staat in dat document op bytes 133562 tot 134943.