Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 november 2015
Onder 2.17.1 Parket bij de Hoge Raad 20 november 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2290.
Voor de onderbouwing van de motiveringsklacht in § 40 wordt verwezen naar de stellingen van [eiser] die in § 39 onder i) t/m v) worden opgesomd. Die stellingen komen, hier verkort weergegeven, er op neer dat [betrokkene] de huurovereenkomst met [E] na een aanvankelijke opzegging ervan buiten medewerking van [eiser] namens de maatschap heeft voortgezet, dat het standpunt van [eiser] dat er geen sprake was van hoofdelijke verbondenheid jegens [E] gedeeld werd door de ‘stille curator’, een advocaat tevens ex-deken die bijstand verleende bij de afwikkeling van de ontbonden maatschap, dat de hoofdelijke verbondenheid ook bestreden is door de advocaat die [A] heeft bijgestaan in de procedure tegen [E] en dat hij dat deed op gronden die niet kansloos waren. Deze stellingen zijn door het hof als zodanig niet onjuist bevonden. Wel heeft het hof op andere feiten en omstandigheden gewezen. Zo overweegt het hof in rov. 9 dat [eiser] zich had behoren te realiseren dat de afspraak met [C] B.V. over de verdeling bij helfte van de kosten en ook de wettelijke regeling inzake de aansprakelijkheid van maten van een maatschap voor schulden aan derden niet beslissend hoefden te zijn voor de rechtsverhouding met [E]. Voor de rechtsverhouding tot derden kunnen afwijkende afspraken gelden. Van [eiser] had mogen worden verwacht dat hij bij [E] informatie had ingewonnen. In rov. 11 merkt het hof nog op dat het onder toezicht staan van de deken en het zorgen door deze voor een ‘stil curator’ niet meebrengt dat [eiser] niet langer verantwoordelijkheid droeg voor het tijdig voldoen van de schuldeisers van de maatschap. Beschouwt men deze feiten en omstandigheden in het licht van de hiervoor vermelde, niet onjuist bevonden stellingen van [eiser], dan komen deze feiten en omstandigheden als niet voldoende voor om op grond daarvan te concluderen tot kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser] als bestuurder van [A]. Immers, zo met het hof aan [eiser] het verwijt zou zijn te maken dat hij heeft nagelaten om na te gaan hoe de aansprakelijkheid van de verplichtingen van [A] jegens [E] precies was geregeld, dan kan toch vanwege de niet onjuist bevonden stellingen niet worden gezegd dat [eiser] daarmee heeft gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan. De feiten en omstandigheden die hof noemt houden immers niet in dat er voor [eiser] sterke aanwijzingen waren dat de aansprakelijkheid van de verplichtingen van [A] jegens [E] anders was geregeld dan door hem aangenomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5badcb8e8cc7a479cc1096c420faccd0414ea33a980f1673182a3f5c4fa09728. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5badcb8e8cc7a479cc1096c420faccd0414ea33a980f1673182a3f5c4fa09728, en de alinea staat in dat document op bytes 42609 tot 45171.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5badcb8e8cc7a479cc1096c420faccd0414ea33a980f1673182a3f5c4fa09728 | shasum -a 256