Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 november 2015

Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 27 november 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2346.

Het cassatiemiddel (onder 2.1.2) klaagt dat het hof een onjuiste invulling heeft gegeven van de maatstaf voor een ondertoezichtstelling, althans geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Voorts klaagt het middel (onder 2.1.3) dat het hof heeft miskend dat een ondertoezichtstelling een ultimum remedium is. Hierover merk ik het volgende op. Het hof heeft, onbestreden in cassatie, in rov. 3.8.1 vooropgesteld dat op het onderhavige verzoek tot ondertoezichtstelling art. 1:254 BW van toepassing is, zoals deze bepaling tot 1 januari 2015 heeft gegolden. Ingevolge art. 1:254 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen indien die minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Het is vaste rechtspraak dat de maatregel van een ondertoezichtstelling slechts is gerechtvaardigd, indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. In rov. 3.8.2 heeft het hof deze maatstaf gehanteerd door te overwegen dat het (langdurig) verbroken ‘family life’ van de minderjarige met haar moeder en met haar halfzus als gevolg van de hevige partnerstrijd een ernstige bedreiging vormt voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige, mede gelet op de constatering van het hof ter zitting dat de ouders tezamen niet gemotiveerd blijken verandering in deze situatie te brengen. Het hof heeft daarbij overwogen dat een ontwrichte relatie tussen de minderjarige en (een van) haar ouders en halfzus, veroorzaakt door de partnerstrijd, op zich reeds een ernstige bedreiging voor de minderjarige oplevert, althans kan opleveren. Ten slotte heeft het hof overwogen dat, gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuiten de genoemde klachten in hun geheel af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0b0b3ff0f79b1e34cfeb08ffb966943e58ea5f5cf0509274f8f90bc109240a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0b0b3ff0f79b1e34cfeb08ffb966943e58ea5f5cf0509274f8f90bc109240a2, en de alinea staat in dat document op bytes 11095 tot 13375.