Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 november 2015

Onder 6.9. Parket bij de Hoge Raad 10 november 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2467.

Voor zover het naar het oordeel van de Rechtbank om stukken gaat die “indirect” voorwerp van of middel tot het strafbare feit zijn geweest (de correspondentie), heeft het er alle schijn van dat de Rechtbank het begrip ‘corpora et instrumenta delicti’ zo ruim heeft uitgelegd dat daaronder in feite alle in het kader van de voorbereiding en uitvoering van het strafbare feit vervaardigde stukken vallen die voor de waarheidsvinding van belang zouden kunnen zijn. Naar mijn oordeel moet de in art. 98 lid 5 Sv vervatte uitzondering restrictief worden uitgelegd, aangezien de idee achter het verschoningsrecht nu juist is dat de waarheidsvinding moet wijken voor het beroepsgeheim. De bedoelde correspondentie maakte niet het voorwerp van het witwassen uit (en ook niet van de eventuele valsheid in geschrifte), terwijl niet direct valt in te zien dat de strafbare feiten met behulp van die correspondentie zijn begaan. Het oordeel van de Rechtbank dat de in beslag genomen correspondentie voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, is dan ook ontoereikend gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ded7b067fe638b341e5e3773593a2f47941fe8fac8be89fda36f20dfce3ed189. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ded7b067fe638b341e5e3773593a2f47941fe8fac8be89fda36f20dfce3ed189, en de alinea staat in dat document op bytes 24472 tot 25663.