Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 januari 2015

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 9 januari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:3.

De vierde tranche van de Awb, in werking getreden op 1 juli 2009, behelst mede een algemene regeling van bestuursrechtelijke geldschulden (titel 4.4). Van deze regeling maakt een algemene regeling van verjaring deel uit (afdeling 4.4.3). Art. 4:104 Awb bepaalt de algemene verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling van een geldsom op vijf jaar. De art. 4:105, 4:106 en 4:107 Awb bevatten regels met betrekking tot stuiting van de verjaring. De verjaringstermijn wordt volgens art. 4:105 Awb gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig art. 3:316 lid 1 BW, alsmede door erkenning. Op grond van art. 4:106 Awb kan het bestuursorgaan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in art. 4:112 Awb, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7a0c039d36f211246e62801d1f2ffb8c49486b870d29738d948d132accf2f75. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7a0c039d36f211246e62801d1f2ffb8c49486b870d29738d948d132accf2f75, en de alinea staat in dat document op bytes 21675 tot 22534.