Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2015

Onder 2.19 Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:341.

Voor de volledigheid vermeld ik nog dat de onderhavige zaak naar mening geen aanleiding geeft tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU over de verenigbaarheid van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN met het Europese recht. Het HvJEU heeft in zijn arrest van 2 maart 2010 inzake Rottmann/Freistaat Bayern herhaald dat het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit volgens het internationale recht tot de bevoegdheid van elke lidstaat behoort (rov. 39), maar dat dit niet wegneemt dat in situaties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, de betrokken nationale voorschriften het Unierecht moeten eerbiedigen (rov. 41 en 45). Het HvJEU heeft voor recht verklaard ‘dat het Unierecht, met name art. 17 EG [thans art. 20 VWEU, A-G], zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de door naturalisatie verkregen nationaliteit van deze lidstaat van een burger van de Unie intrekt wanneer deze door bedrog werd verkregen, mits deze intrekkingsbeslissing in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is’. In de zaak van [verweerster] doet zich naar mijn mening geen schending van het evenredigheidsbeginsel voor.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e9dcb485a39bd5bc74402f21a92156051969f51678ec56538d33fde7bb5f26e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e9dcb485a39bd5bc74402f21a92156051969f51678ec56538d33fde7bb5f26e4, en de alinea staat in dat document op bytes 35824 tot 37148.