Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2015
Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:356.
Bij de vaststelling van de fictieve situatie zoals die zich bij een tijdige en behoorlijke implementatie van de Richtlijn zou hebben voorgedaan, kan mijns inziens niet beschouwing blijven dat de uiteindelijke, daadwerkelijke en - naar in cassatie moet worden aangenomen - correcte implementatie van de Richtlijn mede de in art. 7:640a BW voorziene vervaltermijn omvat. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de Nederlandse wetgever, zo hij zich de portee van art. 7 van de Richtlijn zoals uitgelegd in het arrest Schultz-Hoff van stonde af aan bewust zou zijn geweest, bij de implementatie van die bepaling niet in een vervaltermijn als die van art. 7:640a BW zou hebben voorzien. Naar uit de geschiedenis van totstandkoming van de implementatiewet kan worden afgeleid, heeft de Nederlandse wetgever, juist met het oog op de door het HvJ benadrukte recuperatiefunctie van vakantie, in een vervaltermijn voorzien, om een regelmatige opname van opgebouwde vakantiedagen te stimuleren :
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80035270255d23f98c6d9dca06a7f72b7c327c5c31bddff3ba31d108d63c4dba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80035270255d23f98c6d9dca06a7f72b7c327c5c31bddff3ba31d108d63c4dba, en de alinea staat in dat document op bytes 147957 tot 149056.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/80035270255d23f98c6d9dca06a7f72b7c327c5c31bddff3ba31d108d63c4dba | shasum -a 256