Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2015

Onder 2.20 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:356.

De werkelijke ratio van het arrest Staat/Van Gelder lijkt mij een andere, te weten een gelijkstelling van onverbindende wetgeving in materiële zin met vernietigde besluiten. Volgens mij is het arrest Staat/Van Gelder onderdeel van een drieluik, gevormd door de met elkaar samenhangende en in dezelfde periode gewezen arresten Staat/Van Gelder (9 mei 1986), Heesch/Van de Akker (16 mei 1986) en Hoffmann-La Roche (26 september 1986). Van die arresten hangen met name die in de zaken Heesch/Van de Akker en Hoffmann-La Roche onlosmakelijk met elkaar samen. De leer van de formele rechtskracht ( Heesch/Van de Akker ) en de leer van de besluitaansprakelijkheid (zoals ontwikkeld in het arrest Hoffmann-La Roche ) vormen elkaars pendant. Kennelijk heeft de Hoge Raad, om fricties als gevolg van de concurrerende bevoegdheden van de burgerlijke rechter en de bestuursrechter ten aanzien van besluiten te voorkomen, duidelijkheid willen scheppen, en wel in die zin dat over de rechtmatigheid van besluiten, zolang deze standhouden, geen verdere discussie mogelijk zou moeten zijn ( Heesch/van de Akker ), evenmin als over de onrechtmatigheid van besluiten die door de bestuursrechter zijn vernietigd ( Hoffmann-La Roche ). Aan het regime van besluitaansprakelijkheid is ook de aansprakelijkheid voor onverbindende wetgeving gekoppeld ( Staat/Van Gelder ), kennelijk omdat de Hoge Raad gevoelig was voor het argument dat (lagere) wetgeving in materiële zin, afkomstig van bestuursorganen, met het oog op mogelijke aansprakelijkheid maar weinig van een administratiefrechtelijke beschikking verschilt en de Hoge Raad (bij ontbreken van rechtstreekse beroepsmogelijkheden tegen wetgeving in materiële zin bij de bestuursrechter) zulke wetgeving die door de rechter wegens strijd met een hogere regeling onverbindend is bevonden, voldoende vergelijkbaar met een vernietigd besluit heeft geacht. Zoals al eerder vermeld, was in de conclusie van A-G Van Soest de vergelijkbaarheid van wetgeving in materiële zin met beschikkingen prominent aan de orde. Na onder meer te hebben verwezen naar de opvatting van Scheltema dat “daden van wetgeving veelal niet (meer) in een andere categorie geplaatst kunnen worden dan andere overheidsbesluiten, ... dat het onderscheid vervliegt bij wetgeving door bestuursorganen” (conclusie onder 2.12, slot), concludeerde A-G Van Soest:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80035270255d23f98c6d9dca06a7f72b7c327c5c31bddff3ba31d108d63c4dba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80035270255d23f98c6d9dca06a7f72b7c327c5c31bddff3ba31d108d63c4dba, en de alinea staat in dat document op bytes 48315 tot 51208.