Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2015

Onder 2.24. Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365.

De in art. 6 lid 3 Wet Bopz bedoelde kennisgeving door de officier van justitie aan de geneesheer-directeur heeft betekenis wanneer vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een verzoek is ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging. Alleen dan heeft de voorafgaande machtiging ‘nawerking’ en wacht de geneesheer-directeur met het verlenen van ontslag uit het ziekenhuis de beslissing van de rechtbank op dat verzoek af, met dien verstande dat hij daarmee niet langer wacht dan de wettelijke beslistermijn van (in deze casus) drie weken. Anders dan de toelichting op onderdeel I veronderstelt, is de toepassing van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz niet afhankelijk van de ontvangst door de geneesheer-directeur van een kennisgeving door de officier van justitie. Immers, zodra de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt zonder dat de geneesheer-directeur de bevestiging heeft gekregen dat het verzoek om een aansluitende machtiging bij de rechtbank is ingediend, past de geneesheer-directeur eigener beweging het bepaalde in art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz toe. Het uitblijven van de in art. 6 lid 3 Wet Bopz bedoelde kennisgeving stond op zich niet in de weg aan het verlenen van een voorlopige machtiging. Onderdeel I mist om deze reden doel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6319929c3bcc6adedc3eb53e70b9c24dfbb27c479cc6ba78f4acf2a0bbe9fb3f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6319929c3bcc6adedc3eb53e70b9c24dfbb27c479cc6ba78f4acf2a0bbe9fb3f, en de alinea staat in dat document op bytes 35597 tot 36917.