Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2015

Onder 3.3.2. Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:375.

11. In een eerder, namelijk op 20 januari 2015, door mij genomen conclusie in een andere zaak (nr. 14/00233J), heb ik – na beschouwingen over de wetsgeschiedenis van de artikelen 47, 141 en 311 Sr - Uw Raad enige vragen voorgelegd die bij mij na lezing van het hiervoor aangehaalde arrest opkwamen. Ik zal dit één en ander nu niet kopiëren. Hier volsta ik slechts met de weergave van één van mijn vragen. Te weten of, nu de Hoge Raad het bepaalde in art. 141, eerste lid, Sr gelijk lijkt te stellen met het medeplegen in de zin van art. 47 Sr, daaruit volgt dat voortaan ook met betrekking tot dat medeplegen sprake moet zijn van een “significante of wezenlijke bijdrage” waarvan rov. 3.2.3. rept, en dat, deze lijn doortrekkend, in zoverre ook diefstal door twee of meer verenigde personen in de zin van art. 311, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr, waarvan in casu sprake is, in het vervolg een minder ruim toepassingsbereik heeft dan het voordien in de rechtspraak van de Hoge Raad had. Hoe dient het vijfde middel in het licht van het arrest van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 te worden beoordeeld?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/654b60bab5a6df908141fe912d0ce1d6a774d89d1ac0c5ce2b983a3603df3354. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 654b60bab5a6df908141fe912d0ce1d6a774d89d1ac0c5ce2b983a3603df3354, en de alinea staat in dat document op bytes 38696 tot 39897.