Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2015

Onder 2.2. Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:401.

Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.5 en, naar ik aanneem, tegen de daarop voortbouwende gevolgtrekking in rov. 5.6. De klacht houdt in dat de rechtbank miskent dat in dit geval de schending van art. 5 lid 4 EVRM vaststond. Weliswaar is juist dat de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf uiteindelijk is toegewezen, maar dit neemt volgens het middelonderdeel niet weg dat betrokkene te lang op de beslissing heeft moeten wachten en in onzekerheid heeft verkeerd. Art. 35 Wet Bopz, in verbinding met art. 5 lid 5 EVRM, geeft een recht op vergoeding. De toelichting op deze klacht wijst op de compensatie die in het strafrecht (in de vorm van strafvermindering) en in het vreemdelingenrecht (in geld) wordt gegeven voor een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Voorts wijst de toelichting op een rapport van de toenmalige Europese Commissie voor de rechten van de mens d.d. 10 februari 1993 (P.J.B. tegen Nederland; appl. no. 15672/89) .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2e4b6f988b0eb8f2ba5e7249d23a5b520119121bafe36e49410a4334214ce04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2e4b6f988b0eb8f2ba5e7249d23a5b520119121bafe36e49410a4334214ce04, en de alinea staat in dat document op bytes 12956 tot 14059.