Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2015

Onder 2.19. Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:401.

De toepassing van art. 1 lid 1, in samenhang met art. 3 lid 1, ATW op de beslistermijn van vier weken (na ontvangst van het deskundigenrapport), in een geval waarin de betrokkene onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, acht ik in zijn algemeenheid niet onverenigbaar met art. 5 lid 4 EVRM. Dat artikellid bepaalt dat een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht, opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt indien de detentie onrechtmatig is. In dit geval ligt er geen verzoek om invrijheidstelling van betrokkene, maar is het initiatief tot de procedure uitgegaan van de officier van justitie die een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. Ook dan geldt het vereiste van een spoedige rechterlijke beslissing . De eisen ten aanzien van de te betrachten mate van spoed worden bepaald door de bijzondere omstandigheden van het geval . Bij de toetsing aan art. 5 lid 4 EVRM let het EHRM niet alleen op de verschillende fasen van de procedure, maar ook op de totale duur van de procedure . De slotsom is dat onderdeel II niet tot cassatie leidt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2e4b6f988b0eb8f2ba5e7249d23a5b520119121bafe36e49410a4334214ce04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2e4b6f988b0eb8f2ba5e7249d23a5b520119121bafe36e49410a4334214ce04, en de alinea staat in dat document op bytes 37120 tot 38525.