Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2015

Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:406.

Dit is juist. Art. 4:117 lid 1 BW omschrijft het legaat als een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent. Het vorderingsrecht van de legataris schept een schuld van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW, dat het legaat uitdrukkelijk noemt in lid 1 onder h. De legataris verkrijgt zijn vorderingsrecht op het moment van het overlijden van de erflater van rechtswege (art. 4:201 BW) . Een legataris kan dan ook niet een vervreemding van het gelegateerde goed tegengehouden vóór het overlijden van de erflater. Dit was wellicht anders geweest indien in het testament van de vader was bepaald dat de moeder niet meer vrijelijk over het pand kon beschikken en het niet aan een ander dan [verzoeker] mocht verkopen, maar een dergelijke bepaling ontbreekt in het testament van de vader en [verweerder 1] heeft betwist dat er een mondelinge afspraak zou bestaan tussen de ouders met die strekking. Nu [verzoeker] zijn stelling slechts heeft herhaald (bijvoorbeeld in de brief van zijn advocaat van 27 juni 2014 aan het hof), maar deze niet nader heeft geadstrueerd en er daarnaast ook geen juridische grondslag voor zijn betoog valt aan te wijzen, had het hof de grieven van [verzoeker] die ertoe strekken dat de kantonrechter de machtiging tot verkoop (aan een derde) niet had mogen verlenen, niet gegrond behoeven te vinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f89a077cefcc03284675ed4fbbdf62c7cf34d84e43589710f2152bb6b23502cb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f89a077cefcc03284675ed4fbbdf62c7cf34d84e43589710f2152bb6b23502cb, en de alinea staat in dat document op bytes 25921 tot 27379.