Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 april 2015
Onder 3.10 Parket bij de Hoge Raad 10 april 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:455.
Op dit verband is overigens reeds gewezen in de conclusie van de plv. procureur-generaal sub 9 voor het bij 3.5 geciteerde arrest van 17 februari 2012. Zie ik het goed, dan heeft dat verband er niet toe geleid dat aan art. 3:310 lid 1 BW in de door het middel bedoelde gevallen en aan art. 3:52 lid 1 sub d BW in de thans aan de orde zijnde ‘eega-problematiek’ een identieke invulling wordt gegeven. Dat de invulling per gevalstype kan verschillen, wordt bevestigd door de overweging in het genoemde arrest van 9 augustus 2013, dat de regel van art. 3:52 lid 1 sub d BW zich voor flexibele toepassing leent. De stelling zijdens [eiser], dat niet blijkt dat het begrip ‘ten dienste komen te staan’ van art. 3:52 lid 1 sub d BW een andere betekenis heeft dan het overeenkomstige begrip uit het Saelman-arrest, is als zodanig daarom niet doorslaggevend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c70d2e929419b7b9e45c4abd1cf24a826db547cdc6d750a504c1d21709588278. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c70d2e929419b7b9e45c4abd1cf24a826db547cdc6d750a504c1d21709588278, en de alinea staat in dat document op bytes 37649 tot 38585.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c70d2e929419b7b9e45c4abd1cf24a826db547cdc6d750a504c1d21709588278 | shasum -a 256