Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2015
Onder 3.3 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:462.
Blijkens de tekst van art. 6:101 lid 1 BW hangt de vraag wat de billijkheid eist af van de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of (bedoeld is natuurlijk: en) de overige omstandigheden van het geval. Bij de uiteenlopende ernst van de wederzijdse fouten kunnen, afhankelijk van de precieze omstandigheden van een concreet geval, nu eens de subjectieve, dan weer de objectieve elementen overheersen. Ernstige fouten zullen soms – niet steeds – kunnen worden herleid tot subjectieve elementen aan de zijde van één of beide partijen. Met betrekking tot dit laatste valt dan vooral te denken aan opzet; zij vereist een subjectieve gemoedsgesteldheid die tot bepaalde daden of juist nalatigheden leidt. Buiten de gevallen van opzet, grove schuld en mogelijk aanpalende situaties, gaat het bij fouten veelal om objectieve verwijtbaarheid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5461bb887dc9a74556a4a368ca7089277e1ed8439ab38a093cc53ad96b99df9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5461bb887dc9a74556a4a368ca7089277e1ed8439ab38a093cc53ad96b99df9, en de alinea staat in dat document op bytes 18806 tot 19663.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e5461bb887dc9a74556a4a368ca7089277e1ed8439ab38a093cc53ad96b99df9 | shasum -a 256