Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 januari 2015
Onder 2.24 Parket bij de Hoge Raad 30 januari 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:49.
Anders dan namens de Gemeente wordt betoogd (s.t. onder 5.1.4), kan naar mijn mening uit het later gewezen arrest van Uw Raad inzake Regiopolitie/Hovax niet worden afgeleid dat posterieure feiten bij de toerekening van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid geen (enkele) rol kunnen spelen. M.i. kan uit die uitspraak in de eerste plaats al niet worden afgeleid dat de regel wordt gegeven dat het moment waarnaar moet worden beoordeeld of de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is toe te rekenen aan de vertegenwoordigde, het moment is waarop de gestelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. De klacht dat de rechtbank zou hebben miskend dat, zoals het cassatiemiddel stelde, de toerekeningsvraag moet worden beoordeeld naar het moment waarop de gestelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, faalde immers bij gebrek aan feitelijke grondslag nu de rechtbank de toerekeningsvraag wel naar dat moment had beoordeeld (rov. 4.8-4.9).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bbbba9e9c044267014dfb4d42e8caa8b9a40bbefb9f90668b6990f5f482a030. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bbbba9e9c044267014dfb4d42e8caa8b9a40bbefb9f90668b6990f5f482a030, en de alinea staat in dat document op bytes 51584 tot 52644.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4bbbba9e9c044267014dfb4d42e8caa8b9a40bbefb9f90668b6990f5f482a030 | shasum -a 256