Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 april 2015
Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 17 april 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:505.
19. Het oordeel van het hof in rov. 4.5 dat tot 24 juni 1994 geen sprake is geweest van ondubbelzinnig bezit van de strook door [verweerder] of zijn rechtsvoorgangers (dat wil zeggen van een gebruik met de pretentie eigenaar van de strook te zijn), kan niet anders worden begrepen dan dat het hof van oordeel is dat [verweerder] gedurende de periode van de erfpacht van het perceel (dat wil zeggen tot 24 juni 1994), evenals zijn rechtsvoorgangers, houder was van de strook, die in de jaren ’50 van de vorige eeuw bij dat perceel was getrokken en met een omheining was afgescheiden van het perceel van de gemeente dat niet in erfpacht was uitgegeven. Dat oordeel baseert het hof immers daarop dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat gedurende de periode van deze erfpacht waarin [verweerder] houder was van het perceel, sprake was van bezit van de strook, aangezien [verweerder] onvoldoende uiterlijke omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan het voor de gemeente, die eigenaar was van de strook, duidelijk had moeten zijn dat [verweerder] de strook, anders dan het perceel waarvan hij houder voor de gemeente was krachtens zijn recht van erfpacht, wél voor zichzelf hield. In dat oordeel ligt besloten dat de strook als het ware het perceel volgt nu de strook, zoals blijkt uit de vastgestelde feiten, samen met het achtererf van het perceel ogenschijnlijk één geheel vormt en samen met dat achtererf in gebruik is als achtertuin en met een omheining wordt afgescheiden. Nu de strook een onderdeel vormt van het perceel waarvan [verweerder] als erfpachter slechts houder is, kan uit de uiterlijke omstandigheden die met betrekking tot perceel en strook gelijk zijn, niet worden afgeleid dat met betrekking tot de strook geen sprake is van houderschap maar sprake is van bezit, dat wil zeggen van het houden voor zichzelf, terwijl met betrekking tot het perceel slechts sprake is van het houden voor de gemeente. Aldus het in rov. 4.5 vervatte oordeel van het hof. Ik merk hierbij op dat het wellicht meer voor de hand zou liggen om [verweerder] als bezitter van het recht van erfpacht met betrekking tot de strook aan te merken, en daarmee uit dien hoofde als houder van de strook. Deze optie is kennelijk niet aan de orde gekomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2155e3ad5fd66a0242557645888fc6c6fa8f1c2ab0853a53da6f3ff9e68991a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2155e3ad5fd66a0242557645888fc6c6fa8f1c2ab0853a53da6f3ff9e68991a, en de alinea staat in dat document op bytes 52319 tot 54606.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b2155e3ad5fd66a0242557645888fc6c6fa8f1c2ab0853a53da6f3ff9e68991a | shasum -a 256