Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Onder 1.5 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:691.
[eiseres] heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 4 maart 2014 heeft het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, het vonnis van de rechtbank Utrecht bekrachtigd. Het hof heeft onder meer overwogen dat van opvolgend vervoer in de zin van art. 34 t/m 40 CMR sprake is als het gehele vervoer is onderworpen aan één vervoerovereenkomst en de ondervervoerder partij is geworden bij die vervoerovereenkomst (op de voorwaarden van de vrachtbrief) door inontvangstneming van de goederen (rov. 4.4). Volgens het hof is aan het vereiste van één overeenkomst voldaan en is [eiseres] overeenkomstig art. 34 CMR partij geworden bij de vervoerovereenkomst op de voorwaarden van de vrachtbrief (rov. 4.5). Vervolgens heeft het hof de vraag besproken of ook van opvolgend vervoer sprake is indien de goederen over het gehele traject worden vervoerd door slechts één feitelijk vervoerder, tevens ondervervoerder, en dus zonder dat het vervoer voor een deel van het traject door een andere feitelijke vervoerder wordt uitgevoerd (rov. 4.6). In het onderhavige geval is volgens het hof sprake van één feitelijke vervoerder voor het traject van de hoofdvervoerovereenkomst, namelijk [eiseres] . Bij opvolgend vervoer bestaat geen onderscheid meer tussen een ondervervoerder en opvolgend vervoerder, maar zal de ondervervoerder steeds ook opvolgend vervoerder zijn, mits aan de voorwaarden van art. 34 CMR is voldaan (rov. 4.7). Doel en strekking van art. 34 CMR brengen mee dat [eiseres] als opvolgend vervoerder moet worden aangemerkt, nu vaststaat dat het schadeveroorzakend feit zich heeft voorgedaan toen zij de goederen nog onder zich had. Daaraan doet niet af dat [eiseres] enig feitelijk vervoerder is geweest noch de omstandigheid dat niet de ladingbelanghebbende maar [verweerster] de vordering tegen [eiseres] heeft ingesteld (rov. 4.8). Het hof kiest voor de ruime uitleg van het begrip ‘opvolgend vervoer’, in die zin dat daarvan ook sprake kan zijn indien de hoofdvervoerder, tevens wederpartij van de afzender, zelf niet een deel van het vervoer feitelijk uitvoert maar het gehele vervoer heeft opgedragen aan een andere vervoerder. De ladingbelanghebbende mag niet in een slechtere positie komen te verkeren, indien de hoofdvervoerder niet slechts een deel van het vervoer maar het gehele vervoer uitbesteedt aan een opvolgende vervoerder. Voor de toepasselijkheid van art. 34 CMR is niet vereist dat de vrachtbrief en de goederen door elke ingeschakelde opvolgende vervoerder zelf in ontvangst worden genomen (rov. 4.9). Voor de toepasselijkheid van de regeling van opvolgend vervoer en het regres van art. 37 CMR is niet vereist dat de eerste procedure waarbij de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding zijn vastgesteld, eveneens op de grondslag van opvolgend vervoer moet zijn gebaseerd (rov. 4.10). Volgens het hof voorziet de CMR met de regresregeling bij opvolgend vervoer in een snelle en eenvoudige afdoening van geschillen tussen ondervervoerders/opvolgend vervoerders onderling en staat het op gespannen voet met de doelen van de CMR om het mogelijk te achten dat de vervoerder tegen wie art. 39 lid 1 CMR kan worden ingeroepen, desondanks gerechtigd zou zijn in de regresprocedure alsnog de discussie over de omvang van de aansprakelijkheid op grond van art. 23 en 29 CMR te openen (rov. 4.11).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420, en de alinea staat in dat document op bytes 7810 tot 11171.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420 | shasum -a 256