Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Onder 2.15 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:691.
De subonderdelen onder 1.1 en 1.2 betogen dat het hof in rov. 4.4 van het bestreden arrest de vereisten voor toepasselijkheid van art. 34 CMR heeft verward met de rechtsgevolgen, namelijk dat de (onder)vervoerder partij wordt bij de vervoerovereenkomst. De subonderdelen kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In de eerste zin van rov. 4.5 heeft het hof de stelling van [eiseres] weergegeven dat niet sprake is van één enkele overeenkomst die is uitgevoerd door opvolgende wegvervoerders terwijl de opvolgende vervoerders de vrachtbrief en de goederen niet in ontvangst hebben genomen van de voorafgaande vervoerders. Hieruit blijkt dat het hof de vereisten van art. 34 CMR onder ogen heeft gezien, zoals ook blijkt uit de daarop volgende overwegingen. In cassatie is onbestreden dat [eiseres] de goederen en de vrachtbrief onder zich heeft gekregen (vgl. rov. 4.7 van het bestreden arrest).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420, en de alinea staat in dat document op bytes 26141 tot 27109.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420 | shasum -a 256