Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Onder 2.30 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:691.
Het onderdeel gaat er terecht vanuit dat in art. 39 CMR met de zinsnede dat de vervoerder op wie verhaal wordt uitgeoefend, niet gerechtigd is de gegrondheid van de betaling door de vervoerder, die het verhaal uitoefent, te betwisten, wordt gedoeld op aansprakelijkheid in de relatie tussen de ladingbelanghebbende en de vervoerder. Indien geen sprake is van een tussen partijen bedongen regeling waarin wordt afgeweken van art. 37 en 38 CMR (zie art. 40 CMR), brengen doel en strekking van art. 39 lid 1 CMR mee dat de vervoerder op wie verhaal wordt uitgeoefend, niet meer de grondslag en de hoogte van de schadevergoeding kan betwisten door het aanvoeren van verweren die hij in de procedure jegens de ladingbelanghebbende had kunnen inbrengen (maar zulks kennelijk om hem moverende redenen niet heeft gedaan). Een andere opvatting zou ertoe leiden dat de regresmogelijkheid van de door de ladingbelanghebbende aangesproken vervoerder ernstig wordt gefrustreerd. Ik verwijs naar hetgeen ik hierboven onder 2.24-2.28 heb geschreven. Het oordeel van het hof in rov. 4.11 geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420, en de alinea staat in dat document op bytes 42639 tot 43783.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0aeadbad8afc76ab2d464e51b086e34a6009a848c6bc38c2f55977ebfeb6e420 | shasum -a 256