Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:692.
Deze benadering van het hof sluit aan bij de in literatuur en jurisprudentie aangetroffen gedachte dat gedragingen met betrekking tot onroerende zaken naar verkeersopvatting niet tot bezit van de zaak zullen kunnen worden bestempeld indien zij ook kunnen wijzen op het bezit van een beperkt recht (erfpacht, erfdienstbaarheid) of een persoonlijk recht (huur, pacht) aangezien dat recht ook de bevoegdheid geeft tot de gedraging in kwestie. Ik meen dat een dergelijke algemeen-theoretische c.q. abstracte benadering (“huurders kunnen ook paden aanleggen”, “pachters kunnen ook omheiningen plaatsen”, etc.) miskent dat de verkeersopvatting zich richt op alle concrete omstandigheden van het geval. Daartoe behoort m.i. ook het al dan niet bestaan van een concrete aanwijzing dat van de uitoefening van een zodanig ander beperkt of persoonlijk recht sprake zou kunnen zijn. Ik wijs erop dat in de rechtspraak van Uw Raad betreffende niet ondubbelzinnig bezit telkenmale concrete aanknopingspunten bestonden voor de mogelijke uitoefening van een ander recht dan het recht waarvan het bezit werd gepretendeerd. Zo was geen sprake van ondubbelzinnig bezit van de eigendom (onder betaling van grondrente) in het geval waarin de werkelijke eigenaar de betaling van dit bedrag, gelet op ingeschreven aktes, met evenveel recht als betaling van een erfpachtscanon mocht beschouwen. Zo sanctioneerde Uw Raad het oordeel dat geen sprake was van ondubbelzinnig bezit van een perceel nu dat perceel, dat verpacht was aan een derde maar niet door deze werd gebruikt, werd gebruikt door de pachter van een aangrenzend perceel. In een ander geval had de rechtsvoorganger van de vermeend bezitter het litigieuze perceel (een strook gemeentegrond) van de gemeente in bruikleen gehad en was onduidelijk of deze overeenkomst was beëindigd. Een aparte categorie gevallen betreft de situatie waarin degene die als huurder van een woning met tuin een aanpalende strook gemeentegrond in gebruik heeft gehad in de veronderstelling dat deze bij het gehuurde behoort, dit gebruik ongewijzigd voortzet nadat hij de woning in eigendom heeft verworven. Uw Raad sanctioneerde het oordeel dat in zo’n geval geen sprake was van ondubbelzinnig bezit. In lijn met het voorgaande werd voorts geoordeeld dat de eigenaar van een erf a niet kan worden gekwalificeerd als ondubbelzinnig bezitter van een beperkt recht op datzelfde erf a (erfdienstbaarheid ten behoeve van door hem gebruikt aanpalend heersend erf b ) en dat degene die op grond van bepaalde omstandigheden (plaatsen van een recreatiewoning) bezit heeft geclaimd van de eigendom van een erf, niet op grond van diezelfde omstandigheden kan worden aangemerkt als ondubbelzinnig bezitter van een opstalrecht op dat erf.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c5ae18ffa95771c1dd4cb0b3e70aa6e56421d3117a84df18207d6ce2d0427079. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c5ae18ffa95771c1dd4cb0b3e70aa6e56421d3117a84df18207d6ce2d0427079, en de alinea staat in dat document op bytes 34617 tot 38002.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c5ae18ffa95771c1dd4cb0b3e70aa6e56421d3117a84df18207d6ce2d0427079 | shasum -a 256