Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Onder 3.14.1 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:711.
“3. In een breed opgezette, instructieve beschouwing in NJB 2013/551, afl. 11, wijdt vervolgens Verstijlen aandacht aan deze zaak. Het door de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen de twee categorieën van gevallen acht hij ‘bedenkelijk’. In beide gevallen gaat het toch - zo betoogt Verstijlen - om een op de bestuurder persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting. Waarom zou dan in het ene geval een (voldoende) ernstig verwijt nodig zijn en in het andere geval niet? Zijn conclusie is dat de ‘taxonomie’ (ordening) van bestuurdersaansprakelijkheid, die de Hoge Raad heeft ontwikkeld, onhelder is en leidt tot een enerzijds te grofmazig en, zo begrijp ik, anderzijds te genuanceerd systeem van gradaties van verwijtbaarheid. Even breed maar anders opgezet is de beschouwing van Huizink in O&F 2013/1, p. 23 e.v., met het omineuze opschrift: ‘Maakt de Hoge Raad het vennootschapsrecht opnieuw nodeloos ingewikkeld?’ Aan de hand van het gewezen arrest verdedigt Huizink de stelling dat in alle gevallen waarin door toedoen van een bestuurder een rechtspersoon tekortschiet, onrechtmatig handelt of anderszins in de fout gaat, de betrokken bestuurder zelf volgens ‘de gewone regels van de onrechtmatige daad’ onrechtmatig heeft gehandeld. Hij besluit zijn stuk met acht conclusies waarvan de laatste luidt: ‘Voor persoonlijke OD-aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon maakt het voor de gelaedeerde geen verschil of de onrechtmatige daad bestuursgerelateerd is.’ Weer een andere benadering volgt Timmerman in WPNR 2013/6969. Timmerman bepleit dat bij de beoefening van het ondernemingsrecht onderscheid moet worden gemaakt tussen structuurvragen en gedragsnormen, zoals de Hoge Raad volgens Timmerman ook doet. Bij de beoordeling van structuurvragen (waaronder bevoegdheidsvragen) moet de rechtszekerheid voorop staan, zo betoogt Timmerman, bij het toepassen van gedragsnormen spelen steeds de omstandigheden van het geval en (daarmee) de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol. In dit patroon past, aldus Timmerman (noot 12), dat in het geval X./ [E] , een kras geval van oplichting, het aannemen van een op de bestuurder persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm gerechtvaardigd was. Veel aandacht wordt tenslotte besteed aan deze uitspraak door Harm-Jan de Kluiver in zijn ‘Kroniek van het Ondernemingsrecht’, NJB 2013/789, afl. 15, p. 789 e.v. onder 8. Volgens hem laat de Hoge Raad zich ‘aldus’ (door aansluiting te zoeken bij het onderscheid tussen ‘primaire’ en ‘secundaire’ aansprakelijkheid, waarover hierna onder 7) ‘iets te veel meeslepen in dogmatische nuances’. Vervolgens herschrijft De Kluiver - niet onverdienstelijk - de (hierboven grotendeels afgedrukte) kernoverweging van de Hoge Raad.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2, en de alinea staat in dat document op bytes 87230 tot 90025.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2 | shasum -a 256