Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015

Onder 3.35 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:711.

Ik stel voorop dat onjuist is de stelling dat [eiser] [verweerder 1] “duidelijk” (verderop wordt gerept van: klaarblijkelijk) heeft willen dagvaarden als maat van de maatschap. Wél juist is dat [eiser] er in de inleidende dagvaarding (niet op p. 2 maar op p. 3) melding van maakt dat [verweerder 1] maat was in de litigieuze maatschap. Maar anders dan [betrokkene 1] wordt [verweerder 1] gedagvaard “op grond van de hierna onder het hoofdstuk “De feiten” te bespreken aansprakelijkheden”. Deze “feiten” worden uitgesmeerd over p. 4 - 21. Het had op de weg van [eiser] gelegen om uit doeken te doen dat uit die ontboezemingen valt af te leiden dat “duidelijk” was dat hij [verweerder 1] als maat wilde dagvaarden. Het onderdeel onderneemt daartoe zelfs geen poging. Het faalt in zoverre terstond. Op de gronden vermeld in de s.t. van mrs. Meijer en Van Aerde onder 3.11 is begrijpelijk waarom [eiser] deze poging niet onderneemt; het zou onbegonnen werk zijn geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2, en de alinea staat in dat document op bytes 111657 tot 112785.