Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015

Onder 2.2.2 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:711.

De Rechtbank heeft haar oordeel, in ’s Hofs weergave, als volgt onderbouwd. Eind 2008 of begin 2009 was [eiser] - blijkens e-mails van 4 en 5 december 2008 en 14 februari 2009 die door of namens hem aan [verweerder 1] zijn verzonden - bekend met zijn (mogelijke) vorderingsrecht jegens [verweerder] c.s.; in elk geval kon hij daarmee redelijkerwijs bekend zijn. De dagvaarding is op 3 december 2010 betekend. Daarom vloeit uit art. 6 van de algemene voorwaarden voort dat de rechten van [eiser] zijn vervallen. Het beroep van [verweerder] c.s. op de vervaltermijn is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Het beding, waarin de vervaltermijn is vastgelegd, is niet onredelijk bezwarend en derhalve ook niet vernietigbaar. Hierbij is enerzijds van belang dat [verweerder] c.s. een fout hebben gemaakt doordat zij niet hebben gewaarschuwd voor het risico dat de grond in Roden bij executie niet genoeg zou opleveren ter voldoening van de vordering en anderzijds dat [eiser] op het terrein van zakelijke communicatie en transacties ervaring heeft en de betekenis en verstrekkende gevolgen van het vervalbeding moet hebben begrepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edda256e69e4e5ae49fcbe893076495967f04dbab4a0f1412164453fcf1844d2, en de alinea staat in dat document op bytes 9496 tot 10797.