Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 januari 2015

Onder 9.1. Parket bij de Hoge Raad 20 januari 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:8.

Ik kom tot een algehele afronding. Ontegenzeggelijk is aan het leerstuk van het ne bis in idem een billijkheidsaspect verbonden. Het gaat bij het opleggen van het alcoholslot om een maatregel die verstrekkende consequenties heeft voor de rijbevoegdheid, waaraan vergaande financiële gevolgen vastzitten en die diep ingrijpt in het persoonlijk leven van degenen die het betreft. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid – een belang dat iedereen aangaat en terecht door wetgever van een hoge prioriteit wordt voorzien – kan die zware maatregel gerechtvaardigd zijn. De vraag waarvoor de Hoge Raad wordt geplaatst, is echter of, als zo’n maatregel eenmaal is opgelegd, nog ruimte is voor een strafvervolging, waarbij nogmaals straf zou kunnen volgen voor hetzelfde feit. Ik ben van mening, met het Hof Den Haag (en de andere gerechtshoven die zich daarover in die zin uitgesproken hebben) dat een strafvervolging niet meer billijk te noemen is en dat het recht zich daar (dan) ook tegen verzet. Dat is een verstrekkend oordeel, maar daarbij moet bedacht worden dat de betrokkenen voor het rijden onder invloed al zwaar “gestraft” zijn, door de oplegging van en deelname aan het alcoholslotprogramma. Datzelfde heeft te gelden, gelet op de jurisprudentie van het EHRM, indien een verdachte niet deelneemt aan het ASP en het rijbewijs ongeldig wordt verklaard voor de duur van vijf jaar. Een strafvervolging heeft in deze gevallen - dus indien enkel vervolgd wordt voor het rijden onder invloed - nauwelijks meerwaarde en stuit terecht op onbegrip. Dat bleek ook al uit de praktijk waar door (lagere) strafrechters, die wel aannamen dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de strafvervolging, bij de strafoplegging veelal in vergaande mate rekening werd gehouden met de al dan niet onherroepelijk opgelegde maatregel. Dit alles wijst erop dat er iets schort aan de wettelijke constructie van het alcoholslot. Daar kan de strafrechter geen expliciet oordeel over geven. Maar de wetgever gaat dit wel aan en deze beraadt zich inmiddels op de vraag hoe de regeling van het alcoholslot, ook in verhouding tot het strafrecht beter vorm kan worden gegeven. Dat lijkt mij een goede zaak. Er zijn zeker betere constructies denkbaar waarbij het alcoholslot als zodanig zijn nuttige functies kan blijven vervullen. Intussen acht ik de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, die thans in cassatie voorligt, juist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4284342bde093c9b63090918f72709e3d5cfb386455eb8f15d9b5444a8fa2520. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4284342bde093c9b63090918f72709e3d5cfb386455eb8f15d9b5444a8fa2520, en de alinea staat in dat document op bytes 291303 tot 293779.