Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 juni 2015

Onder 5.34 Parket bij de Hoge Raad 10 juni 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:939.

Hierbij verdient opmerking dat de eerste methode tot vragen leidt wanneer de inbreng plaatsvindt op een moment waarop de WEV zich nog steeds verder weg beweegt van de ‘getaxeerde waarde’. In die fase neemt de waarde van het onderrendement jaarlijks af. Kan de belanghebbende dan ervoor kiezen een fictieve opslag op de retributie als kosten in aanmerking te nemen? Ik wil hierover niet al teveel theoretiseren en volsta ermee op te merken dat een dergelijke benadering mij niet mogelijk lijkt aangezien het belastingrecht geen fictieve kosten kent, tenzij in verband met de problematiek van de zogenoemde kostenarresten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7abc94d65a11bac5dc2fccd882e9f994bb5d08feefe417bc61d4e55e2d273b12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7abc94d65a11bac5dc2fccd882e9f994bb5d08feefe417bc61d4e55e2d273b12, en de alinea staat in dat document op bytes 126854 tot 127493.