Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:982.

Op zichzelf is juist dat de rechtbank (in appel onbestreden) heeft vastgesteld dat het huwelijk van [verweerder] op 4 maart 2013 door echtscheiding is ontbonden. Evenzeer is juist (en het ligt voor de hand dat de rechtbank dáárop het oog heeft gehad) dat derhalve vanaf 4 maart 2013 in verband met de ontbinding van het huwelijk van [verweerder] het in art. 1:204 lid 1 sub e (oud) BW bedoelde beletsel voor een (rechtsgeldige) erkenning door [verweerder] niet meer gold en dat vanaf die datum derhalve ook niet meer aan de orde was of een van de beide uitzonderingen op de in die bepaling voorziene nietigheid ( “tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat” ) zich voordeed. Daarbij moet echter worden bedacht dat de beslissende vraag in deze zaak niet is of [verweerder] [A] na 4 maart 2013 rechtsgeldig kon erkennen. In de onderhavige zaak is beslissend of de vrouw misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt door (vóór of) op 21 maart 2012 aan [verzoeker 2] toestemming voor de erkenning van [A] te geven met slechts het oogmerk de belangen van [verweerder] te schaden. Die laatste vraag moet worden beantwoord naar het recht dat ten tijde van de verlening van die toestemming gold. Toen de litigieuze toestemming werd verleend, was art. 1:204 lid 1 sub e (oud) BW (nog) van kracht; die bepaling is weliswaar per 1 april 2014 ingetrokken, maar daarmee behoefde de vrouw (vóór of) op 21 maart 2012 nog geen rekening te houden, temeer niet nu het desbetreffende wetsvoorstel ten tijde van de verlening van de litigieuze toestemming nog moest worden ingediend . Onder het ten tijde van de verlening van de toestemming geldende wetsregime gold als uitgangspunt dat [verweerder] [A] niet (rechtsgeldig) kon erkennen, tenzij zich één van beide, door de rechtbank vast te stellen uitzonderingen voordeed. Noch de rechtbank, noch het hof heeft vastgesteld dat één van beide uitzonderingen daadwerkelijk van toepassing was. Bij die stand van zaken kan niet (althans niet zonder meer) worden aangenomen dat, beoordeeld naar het het moment waarop de vrouw de litigieuze toestemming gaf, zij erop bedacht had moeten zijn dat [verweerder] door de verlening van die toestemming in zijn belang bij erkenning van [A] werd geschaad.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd, en de alinea staat in dat document op bytes 32415 tot 35050.