Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:982.
Naar mijn mening had het hof naar aanleiding van die grief ambtshalve moeten onderzoeken of [verweerder] , beoordeeld naar het moment waarop de litigieuze toestemming werd gegeven , [A] überhaupt (rechtsgeldig) kon erkennen en of (naar ook de vrouw had moeten voorzien) [verweerder] deswege in zijn belangen zou worden geschaad, als de vrouw haar toestemming niet aan hem, maar aan [verzoeker 2] zou verlenen. Dat [verweerder] ten tijde van de verlening van de litigieuze toestemming nog was gehuwd, was in eerste aanleg uitdrukkelijk aan de orde en bleek uit de stukken. Voorts had de vrouw in eerste aanleg stellingen betrokken (te weten dat “noch sprake (is) van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin der wet (artikel 1:337 a BW ) noch van ‘family life’ in de zin van artikel 8 Europees verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) tussen ( [verweerder] ) en [A] ” en dat zij en [verweerder] “nimmer hebben samengewoond, noch is hun relatie, gelet op de aard (puur seksueel) en duur (enkele weken), geheel op een lijn te stellen met een huwelijk” ; verweerschrift onder 20 en 21), welke stellingen de vrouw in hoger beroep heeft gehandhaafd (zie het appelrekest onder 18) en die, zo zij waar zouden zijn, de uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub e (oud) BW beide zouden uitsluiten. Bij die stand van zaken kon het hof, mede gelet op zijn uit art. 25 Rv voortvloeiende verplichting om binnen het door de grieven ontsloten gebied de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen, niet ervan uitgaan dat [verweerder] in zijn belang bij erkenning van [A] kon zijn geschaad, zonder te hebben vastgesteld dat één van beide uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub e (oud) BW zich voordeed. Nog daargelaten dat art. 1:204 lid 1 sub e (oud) BW uitdrukkelijk een rechterlijke vaststelling van de daarin bedoelde uitzonderingen verlangt, stond het bovendien niet ter vrije beschikking aan partijen maar is het een kwestie van openbare orde of [verweerder] [A] al dan niet (rechtsgeldig) kon erkennen en of [verweerder] deswege in zijn belangen kon zijn geschaad. In dat verband lag het overigens op de weg van [verweerder] om aannemelijk te maken dat één van beide uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub e (oud) BW zich voordeed, en niet op de weg van de vrouw en [verzoeker 2] om het tegendeel aan te tonen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd, en de alinea staat in dat document op bytes 36224 tot 38790.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd | shasum -a 256