Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015
Onder 2.15 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:982.
Voor de goede orde teken ik bij de strikte maatstaf nog aan, dat de Hoge Raad in rov. 3.5.4 van zijn beschikking van 12 november 2004 heeft geoordeeld dat de wetgever het belang van de verwekker dat zijn relatie met het kind rechtens als een familierechtelijke relatie wordt erkend, niet uit het oog heeft verloren en dat de wetgever evenmin eraan is voorbijgegaan dat in het nieuwe afstammingsrecht is beoogd meer aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever immers, kennelijk mede met het oog op het belang van het kind, een regeling willen geven die voorkomt dat een eenmaal met toestemming van de moeder tot stand gekomen erkenning en daarmee de juridische status van het kind worden aangevochten, en daarop - afgezien van het geval dat het kind zelf de erkenning wil aantasten - slechts een beperkte uitzondering willen maken. Kennelijk heeft de Hoge Raad deze keuze van de wetgever gebillijkt. De Boer heeft zich echter afgevraagd of de Nederlandse benadering geheel spoort met die van EHRM 18 mei 2006 ( Rózański tegen Polen ), ECLI:NL:XX:2006:AY1277, RvdW 2006/725, EHRC 2006/84. Die zaak had betrekking op de Poolse wetgeving, volgens welke de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om een verzoek, strekkende tot vaststelling van vaderschap, toe of af te wijzen. In het gegeven geval was het verzoek afgewezen op de enkele grond dat de nieuwe partner van de moeder het kind inmiddels had erkend. Volgens het EHRM is het feit dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben als een andere man het kind heeft erkend, op zich niet aan kritiek onderhevig, omdat dit in het belang van het kind is. Niettemin achtte het EHRM de toepassing van die bevoegdheid in het gegeven geval met art. 8 EVRM in strijd vanwege 1) de afwezigheid van een direct toegankelijke procedure voor klager om zijn vaderschap vast te stellen, 2) de afwezigheid van wettelijke richtlijnen hoe de discretionaire bevoegdheid moet worden uitgeoefend en 3) de mechanische manier waarop de discretionaire bevoegdheid werd toegepast. Naar mijn mening staat deze uitspraak niet zonder meer aan toepassing van de strikte maatstaf in de weg, al was het maar omdat die maatstaf vooronderstelt dat de verwekker tijdig vervangende toestemming had kunnen vragen, maar zulks heeft nagelaten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd, en de alinea staat in dat document op bytes 57911 tot 60351.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/773a0fd306133c927f2431829d2bef3b7d479e9d405c14f03cade71e23c7b4fd | shasum -a 256