Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2016
Onder 3.12 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1002.
De invulling van het begrip schuldeiser in art 1. Fw dient plaats te vinden in het licht van het doel van de Faillissementswet. De bedoeling van een faillissement is om het gehele vermogen van de schuldenaar te gelde te maken en de opbrengst zodanig onder alle schuldeisers te verdelen dat alle schuldeisers die ten tijde van de faillietverklaring een vordering op de schuldenaar hebben zoveel mogelijk verhaal wordt geboden. Om te bewerkstellingen dat alle vorderingen van de schuldeisers in de verdeling worden betrokken kunnen rechtsvorderingen, die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, ter verificatie worden ingediend (art. 26 Fw). Een openbaar pandhouder is bevoegd om zijn vordering ter verificatie in te dienen. In geval van stil pandrecht gaat die bevoegdheid na mededeling over van pandgever op de pandhouder. De pandhouder heeft na mededeling immers het uit zijn inningsbevoegdheid voortvloeiende vorderingsrecht. Uit het feit dat de pandhouder (en niet de pandgever) bevoegd is om de vordering ter verificatie in te dienen kan worden afgeleid dat ook de pandhouder bevoegd is om het faillissement aan te vragen. Alleen laatstgenoemde heeft immers een vorderingsrecht. Het is dan ook de pandhouder en niet de pandgever die belang heeft bij het uitoefenen van deze bevoegdheid. Deze behoort dan ook bij de pandhouder te liggen. Een andere opvatting zou er bovendien toe leiden dat - doordat het materiële recht en het vorderingsrecht niet in een hand liggen - geen van beiden de bevoegdheid heeft om het faillissement aan te vragen. Dit zou een onwenselijke uitkomst zijn. Daarnaast ben ik van oordeel dat de bevoegdheid om faillissement aan te vragen ook inhoudelijk bij de pandhouder thuishoort. Het betreft hier immers een bevoegdheid die bij uitstek bedoeld is om de vordering te innen en die in de praktijk vaak als incassomiddel wordt gehanteerd. Voorts betreft het een middel om het recht van verhaal uit te oefenen. Tot slot wijs ik op het Duitse recht waarin de bevoegdheid om het faillissement aan te vragen inmiddels eveneens aan de pandhouder is toegekend. Het voorgaande brengt met zich dat het eerste onderdeel naar mijn mening dient te slagen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/834c1cab4a45ea2c194892c36074101f2d13507ea48cfe33a3341b3924e1136f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 834c1cab4a45ea2c194892c36074101f2d13507ea48cfe33a3341b3924e1136f, en de alinea staat in dat document op bytes 33034 tot 35498.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/834c1cab4a45ea2c194892c36074101f2d13507ea48cfe33a3341b3924e1136f | shasum -a 256