Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016
Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.
Onderdeel 1c richt zich tegen de oordelen van het hof in rov. 3.6.6 dat de verjaringstermijn van twintig jaar pas is gaan lopen vanaf de dag dat [verweerder] in 2007 bekend is geraakt met de schade en dat de vordering pas op dat moment ‘op zijn vroegst opeisbaar’ is geworden. Het hof zou daarmee hebben miskend dat het moment waarop opeising op zijn vroegst mogelijk is objectief moet worden beoordeeld en niet op basis van de subjectieve bekendheid aan de zijde van de schuldeiser. NBM heeft in dat verband voorts verwezen naar haar stelling dat de onderhavige vordering van [verweerder] reeds op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst opeisbaar zou zijn geweest. Onderdeel 1d houdt in dat gegrondbevinding van één of meer van de in de voorgaande subonderdelen aangevoerde klachten meebrengt dat rov. 3.6.7-3.6.8 en 3.7 tot en met 3.9 van ‘s hofs arrest niet in stand kunnen blijven. Onderdeel 1d bevat dus geen zelfstandige klacht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 58515 tot 59712.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c | shasum -a 256