Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 4.7 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

Art. 3:307 BW geldt ook als de vaststellingsovereenkomst, zoals gelet op de gebruikelijke wijze van afwikkeling in de letselschadepraktijk in de regel het geval is, voorziet in vergoeding van in de toekomst te lijden schade of een toezegging dat de toekomstige schade zal worden vergoed. De verbintenis tot betaling van schadevergoeding vindt dan immers eveneens grond in een contractuele verplichting. Dat betekent dat art. 3:310 BW in het geval van een vaststellingsovereenkomst normaal gesproken buiten beeld blijft. De rol van deze bepaling is in principe uitgespeeld. Dit is echter niet altijd het geval. De overeenkomst kan namelijk inhouden dat een bepaalde situatie buiten de reikwijdte van de minnelijke regeling valt (in die zin dat de met de vaststellingsovereenkomst beoogde finale kwijting hiervoor niet geldt). In dat geval kan de vordering tot vergoeding van deze (aanvullende) schade dan ook niet op de vaststellingsovereenkomst worden gegrond en valt de vordering als schadevergoedingsvordering onder het bereik van art. 3:310 BW. Uitleg van de betrokken vaststellingsovereenkomst zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een vordering tot betaling van een aanvullend schadebedrag wat de verjaring betreft onder de reikwijdte van art. 3:307 BW dan wel onder die van art. 3:310 BW valt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 67845 tot 69171.