Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 4.17 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

Voor de aanvangsdatum van de verjaringstermijn van 20 jaar op grond van art. 3:307 lid 2 BW is dus bepalend wat wordt verstaan onder ‘de dag waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was.’ In dat verband is het volgende van belang. Een verbintenis is opeisbaar wanneer de schuldeiser aanspraak kan maken op het verrichten van de prestatie. Het moment van eerste opeisbaarheid dient op basis van uitleg van de overeenkomst of de betrokken wettelijke regeling te worden bepaald. In dit geval heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een verbintenis onder een opschortende voorwaarde (rov. 3.6.6). Een opschortende voorwaarde houdt in dat de werking van de verbintenis pas met het plaatsvinden van de gebeurtenis aanvangt (art. 6:22 BW). Een onvervulde opschortende voorwaarde staat om die reden aan opeisbaarheid van de vordering in de weg. Dit heeft gevolgen voor het moment van eerste opeisbaarheid van de vordering en daarmee voor het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van 20 jaar op grond van art. 3:307 lid 2 BW. Dit volgt – naar ik hierna zal toelichten – ook uit de wetsgeschiedenis.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 77728 tot 79043.