Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 4.19 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

In de onderhavige zaak heeft het hof de vaststellingsovereenkomst aldus uitgelegd dat partijen de opeisbaarheid van (een vordering tot vergoeding van) eventuele toekomstige schade afhankelijk hebben gemaakt van een – opschortende – voorwaarde (namelijk: een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van dr. Raat). Op grond van de vaststellingsovereenkomst en het daarin opgenomen voorbehoud is de vordering van [verweerder] volgens het hof voor het eerst opeisbaar geworden toen hij in 2007 bekend werd met de schade. Het oordeel van het hof berust daarmee op een uitleg van de vaststellingsovereenkomst en het voorbehoud. Die uitleg houdt in dat sprake is van een verbintenis onder de opschortende voorwaarde dat [verweerder] bekend raakt met schade zoals bedoeld in het voorbehoud. Wordt deze uitleg in cassatie niet met succes bestreden, dan is opeisbaarheid van de vordering gebaseerd op het voorbehoud pas aan de orde vanaf het moment dat [verweerder] bekend werd met de in het voorbehoud bedoelde belangrijke afwijking ten opzichte van het rapport van dr. Raat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 81116 tot 82260.