Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 5.5 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

Onderdelen 1a en 1b richten zich tegen de overweging dat partijen met de vaststellingsovereenkomst beoogden de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk te maken van een opschortende voorwaarde (namelijk: een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en invalidering als beschreven in het rapport van dr. Raat). NBM betoogt dat het hof met dat oordeel de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder] heeft aangevuld. Geen van partijen zou zich op het standpunt hebben gesteld dat sprake is van een opschortende voorwaarde. Met name zou [verweerder] zelf zich niet (voldoende kenbaar) op dit standpunt hebben gesteld. [verweerder] zou de term ‘voorwaarde’ uitsluitend hebben gebruikt in de memorie van antwoord in het incidenteel appel. De passage in deze memorie zou echter slechts in algemene zin betrekking hebben op de uitleg die, volgens [verweerder] , aan art. 3:307 BW moet worden gegeven en niet op de bedoeling van partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. Bovendien heeft NBM niet meer op de memorie van antwoord in het incidenteel appel kunnen reageren. Ook om die reden had het hof niet op basis van de bedoelde passage in de memorie van antwoord in incidenteel appel mogen aannemen dat partijen hebben beoogd de vordering van [verweerder] uit hoofde van het voorbehoud afhankelijk te maken van een opschortende voorwaarde. ’s Hofs oordeel zou daarom onjuist en/of onbegrijpelijk zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 85471 tot 87035.