Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 5.9 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

De grenzen van het processuele debat worden in het bijzonder bepaald door de feitelijke grondslag van de vordering en het verweer. Binnen die feitelijke grondslag dient de rechter de rechtsgronden aan te vullen (art. 25 Rv). Er is een toereikende feitelijke grondslag voor het aannemen van een opschortende voorwaarde indien is aangevoerd dat de verbintenis pas met het plaatsvinden van een bepaalde gebeurtenis opeisbaar wordt (hiervoor onder 4.17 en 5.7). Dan zijn namelijk alle (feitelijke) elementen aangevoerd die nodig zijn voor de (juridische) kwalificatie ‘verbintenis onder opschortende voorwaarde’ (art. 6:22 BW). In dat geval mag de rechter – zo nodig op basis van een eigen uitleg van de overeenkomst – tot het oordeel komen dat sprake is van een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Daarvoor is, anders dan NBM lijkt te betogen, niet nodig dat de term ‘(opschortende) voorwaarde’ in de gedingstukken is genoemd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 88958 tot 90105.