Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 5.17 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

NBM meent bovendien dat het oordeel over het moment waarop opeising op zijn vroegst mogelijk is geworden temeer onjuist of onbegrijpelijk zou zijn in het licht van de rechtsregel dat vorderingen waarbij geen tijdstip voor nakoming is bepaald terstond opeisbaar zijn (art. 6:38 BW). Verder zou dit oordeel onbegrijpelijk zijn gezien de stelling van NBM dat partijen geen later tijdstip van opeisbaarheid zouden hebben beoogd of afgesproken. Voor zover het hof zou hebben gemeend dat een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW in het algemeen pas na onbepaalde tijd (of niet terstond) opeisbaar zou zijn, is dat oordeel onjuist. De regel van art. 3:307 lid 2 BW is immers ook (met name) bedoeld voor vorderingen die al opeisbaar zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 96770 tot 97619.