Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1006.

NBM heeft haar beroep op verjaring als volgt toegelicht. Met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst met het voorbehoud is de opeisbare vordering tot vergoeding van toekomstige schade omgezet in een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd. Uit de tekst van het voorbehoud volgt immers dat opeising van deze vordering niet binnen afzienbare tijd zou plaatsvinden. Daarom loopt op grond van art. 3:307 lid 2 BW de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan. Dit neemt echter niet weg dat deze vordering reeds vanaf 1985 opeisbaar was. Dit betekent dat de twintigjarige verjaringstermijn van art. 3:307 lid 2 BW in 1985 is aangevangen en dus in 2005 is geëindigd. Aangezien Vorsterman de verjaring van zijn vordering in de tussentijd niet heeft gestuit, is zijn vordering in de visie van NBM dus verjaard.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13e96f8a1e12d9107688ec037b8472a2d8bba046a9edcab85091429f7ee3628c, en de alinea staat in dat document op bytes 18060 tot 18987.