Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016
Onder 5.2. Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1043.
Van de sluiting van het huwelijk moet dus in positieve zin blijken, door middel van een trouwakte, en het ontbreken van dat ‘blijken’ is de kern van het strafbare feit dat zich richt tot bedienaar van de godsdienst. Of het burgerlijk huwelijk al dan niet is gesloten is zodoende – althans op het niveau van de bestanddelen van het strafbare feit – indifferent. Nu is een dergelijke constructie in het publiekrecht niet onbekend, maar daar gaat zij meestal gepaard met een bijbehorend stelsel van verplichtingen inzake de registratie van – in dit geval – het afsluiten van ‘kerkelijke’ huwelijken, het uit een administratie kunnen blijken van de daaraan voorafgaande toetsing van de voorwaarden waaronder deze gesloten kunnen worden, het bewaren van de bewijsstukken daaromtrent en publiekrechtelijke bevoegdheden ter controle van een en ander. Het strafrecht zou dan slechts het sluitstuk van de handhaving zijn – een patroon dat talloze bijzondere wetten kennen. Dat alles mist men op het vlak van de niet-burgerlijke huwelijksplechtigheden – art. 449 Sr valt meteen met de deur in huis. Dat zou (mede) een reden kunnen zijn voor het feit dat er zo weinig vervolgd wordt voor art. 449 Sr: het bewijs is zodoende niet makkelijk te leveren. Immers, de meest voor de hand liggende (rechtstreekse) bron voor het bewijs zal de verklaring van de bedienaar van de godsdienst zelf zijn, dat hem van een eerder huwelijk juist niet is gebleken. Voor de opsporing kan dat dadelijk problemen opleveren omdat de bedienaar van de godsdienst als verdachte ingevolge art. 29 Sv niet tot het verschaffen van een verklaring omtrent het (wel of niet) blijken verplicht kan worden. Bij het ontbreken daarvan moet een meer indirecte weg gezocht worden en dat is wat het hof in de onderhavige zaak kennelijk heeft gedaan: uit het niet aantreffen van een huwelijksakte in de basisadministratie van de burgerlijke stand wordt aangetoond dat de betreffende partijen op een bepaald (tenlastegelegd) tijdstip niet burgerlijk waren getrouwd. Van het feit van het burgerlijk huwelijk kán de bedienaar van de godsdienst dus ook niet gebleken zijn. Dat lijkt mij zonder meer een begaanbare weg. Ik zet hierna per middel uiteen waarom de steller van de middelen meent dat de bewijsconstructie ontoereikend is, waarna ik de desbetreffende klacht bespreek.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ebb01d808addf41375ccba19d7f22283617de67747bb52eff641d5bf0753ed1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ebb01d808addf41375ccba19d7f22283617de67747bb52eff641d5bf0753ed1, en de alinea staat in dat document op bytes 48512 tot 50934.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ebb01d808addf41375ccba19d7f22283617de67747bb52eff641d5bf0753ed1 | shasum -a 256