Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016
Onder 8.6. Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1044.
Het hof heeft vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op de persoon van [betrokkene 1] gepleegd in haar leef- en werkomgeving, en dat de verdachte gelet op de aard, inhoud en intensiteit van zijn gedragingen beseft moet hebben dat [betrokkene 1] daarvan niet was gediend. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, houdt in dat de verdachte poststukken en brieven heeft gestuurd aan [betrokkene 1] en aan haar vader en dat hij hen bleef informeren (bewijsmiddel 8). [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte na het beëindigen van hun relatie haar en haar vader vele brieven heeft gestuurd. Door de inhoud van die brieven voelde [betrokkene 1] zich in haar persoonlijke levenssfeer aangetast, omdat die meestal haar als persoon betroffen. In die brieven schrijft de verdachte bijvoorbeeld dat hij haar of wel of geen rust gunt. Ook verklaart [betrokkene 1] dat er brieven van de verdachte zijn binnengekomen op haar werk, dat verdachte meerdere malen bij haar werk rond heeft gehangen, daar naar binnen heeft gegluurd en met zijn hoofd tegen het raam heeft gebonkt. Tegen een collega zou de verdachte hebben gezegd dat hij met haar in gevecht was. Door het hele gebeuren is [betrokkene 1] in de ziektewet beland en heeft zij bij haar werkgever een aanvraag gedaan voor overplaatsing (bewijsmiddel 9). De verklaring van [betrokkene 1] wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 6] van Stichting Jeugdzorg Friesland (bewijsmiddel 10), de verklaring van de vader van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 11) en de aan de politie overgelegde poststukken en brieven afkomstig van de verdachte (bewijsmiddelen 12 tot en met 15). Gelet op deze uit de bewijsmiddelen voortvloeiende feiten en omstandigheden, heeft het hof kennelijk de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte als van dien aard aangemerkt dat [betrokkene 1] deze pleegde te ervaren als een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en dat het niet anders kan zijn dan de verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest. Hierbij dient de omstandigheid te worden betrokken dat juist het verbreken van de relatie erop wijst dat [betrokkene 1] geen contact meer met de verdachte wenste, zeker niet in de in de bewezenverklaring beschreven vormen. Dat deze voorgeschiedenis invloed heeft gehad op de mate van indringendheid van de bewezenverklaarde gedragingen en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van [betrokkene 1] , lijkt mij evident. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d54b7807860c32fdebeec1007ce85489857ca1b762ba26bee0bff080636a6df5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d54b7807860c32fdebeec1007ce85489857ca1b762ba26bee0bff080636a6df5, en de alinea staat in dat document op bytes 47874 tot 50508.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d54b7807860c32fdebeec1007ce85489857ca1b762ba26bee0bff080636a6df5 | shasum -a 256