Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016

Onder 4.6. Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1100.

In de onderhavige zaak zijn tussen het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie op 7 december 2011 en het eindarrest van het hof van 13 maart 2015 ruim 3 jaren en 3 maanden verlopen. De termijn van 2 jaar voor de afwikkeling van de zaak in hoger beroep is dus niet gehaald. Deze termijn is met 1 jaar en ruim 3 maanden overschreden. In het onderhavige geval heeft het hof een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep aangenomen. Het hof heeft echter geen aanleiding gezien daaraan de sanctie van strafvermindering te verbinden mede omdat de totale behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep binnen de maximale termijn van 4 jaren is afgerond. Wanneer het hof enkel deze omstandigheid ten grondslag zou hebben gelegd aan zijn beslissing dan zou zijn oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het dan zou berusten op de opvatting dat tijdwinst in eerste aanleg mag worden meegewogen bij het bepalen van het rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Voor de beoordeling van het rechtsgevolg van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet immers in het oog worden gehouden dat de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep geen communicerende vaten zijn maar dat de procedure in hoger beroep zelfstandig dient te worden bekeken. Het hof heeft met de desbetreffende overweging kennelijk slechts tot uitdrukking willen brengen dat, nu in eerste aanleg van een voortvarende afdoening sprake is geweest, het in zijn totaliteit (eerste aanleg en hoger beroep) bezien gaat om een geringe termijnoverschrijding. Deze feitelijke vaststelling is niet onbegrijpelijk. Daarnaast heeft het hof echter nog andere omstandigheden betrokken bij zijn beslissing. Het hof heeft immers vervolgens gewezen op een tweetal oorzaken van de overschrijding van de redelijke termijn die mijns inziens kunnen worden beschouwd als bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Volgens het hof is de overschrijding van de redelijke termijn veroorzaakt door de onderzoeken die hebben moeten plaatsvinden naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is opgeworpen omtrent het ziektebeeld van de verdachte en voorts is de medewerking van de verdediging bij de uitvoering van bedoelde onderzoeken niet altijd even voortvarend geweest. Hiermee heeft het hof kennelijk de ingewikkeldheid van de strafzaak, de voortvarendheid van de zaaksbehandeling door de justitiële autoriteiten, en de procesopstelling van de verdachte tot uitdrukking gebracht. Het hof heeft bij tussenarrest van 5 december 2012 het onderzoek van de zaak heropend naar aanleiding van een door de verdediging gevoerd verweer dat het verkeersongeluk heeft plaatsgevonden ten gevolge van een epileptische aanval van de verdachte. Het hof wenste nader te worden geïnformeerd omtrent dit ziektebeeld van de verdachte. Ter terechtzitting van het hof van 22 maart 2013 is de verdachte verzocht om medische stukken met betrekking tot de epilepsie aan te leveren voor onderzoek. Ook is gebleken dat het geen gemakkelijke opgave was om geschikte deskundigen te benoemen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2015 kan worden afgeleid dat de neuroloog ten behoeve van zijn onderzoeksrapport meerdere pogingen heeft gedaan om in contact met de verdachte te komen maar dat dat niet is gelukt. Een blik achter de papieren muur leert voorts dat de raadsman van de verdachte bij brief van 22 augustus 2013 heeft aangegeven dat het enige tijd heeft geduurd voordat de verdachte de medische stukken bij elkaar had. Het vorenstaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat sprake is van een geringe termijnoverschrijding en dat die schending is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden waaraan geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.4 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel behoeft - anders dan het middel wil - geen nadere motivering. Voor een verdergaande toetsing in cassatie is gelet op het feitelijke karakter van deze beslissing geen plaats. De overige in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden doen aan de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel niet af. Tot slot merk ik op dat het hof niet gebonden is aan de vordering van de advocaat-generaal ten aanzien van het te verbinden rechtsgevolg van een overschrijding van de redelijke termijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a9b092b0dc5d868d67a96d5e628d2d8d1bd3079cdd9a0800c795004a82f7a79. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a9b092b0dc5d868d67a96d5e628d2d8d1bd3079cdd9a0800c795004a82f7a79, en de alinea staat in dat document op bytes 18561 tot 23156.