Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 november 2016

Onder 2.12. Parket bij de Hoge Raad 4 november 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1120.

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof miskent dat naar verkeersopvattingen uit het optreden van een advocaat voor zijn cliënt in beginsel niet een toereikende schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, althans niet in een geval als het onderhavige. Volgens het subonderdeel kenmerkt dit geval zich hierdoor, dat een advocaat (i) na benaderd te zijn door een wederpartij informatie geeft en mededelingen doet over een vastgoeddeal van zijn cliënt met die wederpartij, waarbij die advocaat (ii) niet als zodanig door zijn cliënt is gesteld in een procedure tegen die wederpartij en zelfs (iii) niet optreedt in een geschil omtrent de rechtsverhouding van zijn/haar cliënt met die wederpartij. Ter toelichting op dit standpunt wordt aangevoerd dat het inschakelen van een advocaat door een cliënt op zichzelf geen bevoegdheid van die advocaat meebrengt om buiten rechte die cliënt te vertegenwoordigen. Subsidiair verbindt het subonderdeel hieraan een motiveringsklacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a03b6bf383d696f83d287c6179907de9aedf4c4d12eb1ba8b80a0ea8dce65063. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a03b6bf383d696f83d287c6179907de9aedf4c4d12eb1ba8b80a0ea8dce65063, en de alinea staat in dat document op bytes 35669 tot 36719.