Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 november 2016

Onder 2.13 Parket bij de Hoge Raad 11 november 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1128.

In de verzetprocedure heeft [verweerder] in reconventie onder meer betaling door Kogra van een bedrag van € 51.000,- gevorderd in verband met de inning door Kogra/[betrokkene] in de maanden september en oktober 2009 van pin-, credit card- en contante betalingen, die samenhingen met de exploitatie door [verweerder] van het restaurant; zie de verzetdagvaarding, blz. 10 jo. akte houdende eisvermeerdering tevens overlegging van producties d.d. 9 december 2010, sub 3 en met name de producties 11 (overzicht van mutaties op de ING rekening-courant van [betrokkene] in de periode 29 september tot 6 november 2009) en 12 (een overzicht van de omzetten in september en oktober 2009 van het horecabedrijf, opgesteld door het accountantsbureau van [verweerder] Control 2000 B.V.). De kantonrechter wijst de omzetvordering blijkens rov. 5.10 van zijn tussenvonnis d.d. 31 maart 2011 af wegens onvoldoende onderbouwing. In het door hem ingestelde incidenteel appel vecht [verweerder] deze beslissing aan; zie met name wat wordt aangevoerd sub 46, 47, 48, 50 en – in verband met grief V – 68 t/m 73. In haar memorie van antwoord in het incidenteel appel volstaat Kogra bij de bespreking van grief V met een algemeen luidende betwisting van de omzetvordering onder de aantekening dat het aan [verweerder] is om deze vordering aan te tonen. Blijkens het proces-verbaal van de pleidooizitting op 21 september 2014 zijn er aan beide zijden uitlatingen ter zake van de omzetvordering gedaan. Het hof beoordeelt de vordering in rov. 3.16. Het staat eerst stil bij de door [verweerder] gestelde hoogte van de omzetvordering. Het stelt vast dat uit de – op kassabonnen gebaseerde – omzetoverzichten van Control 2000 B.V. blijkt van een omzet in september 2009 van € 23.741,35 en in oktober 2009 van € 27.116,40. ( ) Na die vaststelling volgt de overweging: “Gelet hierop had het op de weg van Kogra gelegen haar betwisting nader te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Het door [verweerder] gevorderde bedrag is derhalve in beginsel toewijsbaar, tenzij het verrekeningsverweer van Kogra slaagt.” Wat dat verweer betreft, oordeelt het hof dat het verweer niet opgaat voor zover het betrekking heeft op betalingen waarvan Kogra stelt dat zij door haar ten behoeve van de bedrijfsvoering van het restaurant zijn gedaan, maar dat het wel terecht wordt gevoerd voor zover Kogra zich op verrekening met huurtermijnen beroept. [verweerder] heeft immers bij pleidooi erkend dat de eerste huurtermijnen, te weten de eerste vijf termijnen van in totaal € 16.585,70, op de pinontvangsten zijn ingehouden. Op grond van een en ander acht het hof de omzetvordering van [verweerder] toewijsbaar voor een bedrag van € 34.271,65. In onderdeel 2.3 worden klachten tegen de beoordeling door het hof van de omzetvordering van [verweerder] aangevoerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0edecbaa2c29774da143150c4bc5423ae88727cfe1a1bed9336eda7806fb7fe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0edecbaa2c29774da143150c4bc5423ae88727cfe1a1bed9336eda7806fb7fe, en de alinea staat in dat document op bytes 38269 tot 41289.