Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2016
Onder 4.20 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1130.
Zoals gezegd, volgt het Hof nu exact dezelfde redenering. Dat deed hetzelfde Hof ook al in een uitspraak van 21 april 2015 (zie FutD 2015-1147) waar het ging om een vergoeding van smartengeld voor een politiebrigadier die tijdens de uitoefening van zijn functie blijvend invalide was geraakt. Dus hoogst vergelijkbaar met de situatie die hier aan de orde is, zij het dat in de uitspraak van 21 april 2015 de uitkering berustte op een rechtspositionele regeling en dat in deze uitspraak enigszins mistig blijft. Zoals wij eerder aangaven (in een commentaar bij een uitspraak van Rechtbank Gelderland van 21 juli 2015; zie FutD 2015-1836) hebben wij ernstige bedenkingen bij deze benadering van het Hof. Waar wij ons nog wel iets kunnen voorstellen bij het publieke belang dat is gediend met de cessie van de schadevergoeding uit het arrest van 30 januari 2015, ontbreekt dat publieke belang naar onze mening volledig bij de immateriële schadevergoeding (of smartengeld) in kwestie. De vergoeding is toegekend omdat door de ongevallen in diensttijd de loopbaanontwikkeling van de politieman ernstig is gestagneerd. Met andere woorden: zonder die voorvallen had de politieman een betere (financiële) carrière kunnen hebben. Daarmee is sprake van een vergoeding voor te derven inkomsten en die is belast. Dat de werkgever heeft verklaard dat dit niet het geval is, lijkt toch behoorlijk in strijd te zijn met de reden die ten grondslag is gelegd aan de uitkering, en dat de politieman heeft verklaard dat de voorvallen er niet toe hebben geleid dat hij een lager gewaardeerde functie moest gaan bekleden is evenmin relevant, hoewel het Hof grote, zo geen doorslaggevende, betekenis lijkt toe te kennen aan zowel de verklaring van de werkgever als die van de politieman. Wij menen daarom dat de uitspraak van het Hof onjuist is, althans met deze door het Hof gevolgde redenering. Bij een andere redenering hadden wij ons wel iets kunnen voorstellen. Het "gemak" waarmee het Hof het smeerkuilarrest buiten de deur zet is namelijk enigszins verbazingwekkend. Daarmee volgt het Hof het arrest van 30 januari 2015, waarin de Hoge Raad het smeerkuilarrest zelfs impliciet buiten spel plaatste. Maar in het arrest was duidelijk sprake van een rechtspositionele regeling, net als in de zaak die speelde in de uitspraak van het Hof van 21 april 2015. Wanneer het zo zou zijn dat in de hier berechte kwestie inderdaad géén sprake is van een rechtspositionele regeling zouden wij ons zeer wel kunnen voorstellen dat de conclusie met betrekking tot het betaalde smartengeld dan zou moeten of kunnen zijn dat die vergoeding niet zozeer verband houdt met de dienstbetrekking dat die als daaruit genoten moet worden aangemerkt en daarmee (dus) niet tot het loon zou behoren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a20fbb2a4538f2cb2718625d8cbad21f7e13a92d64c6b84bab3ee5e2f6426f94. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a20fbb2a4538f2cb2718625d8cbad21f7e13a92d64c6b84bab3ee5e2f6426f94, en de alinea staat in dat document op bytes 52682 tot 55455.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a20fbb2a4538f2cb2718625d8cbad21f7e13a92d64c6b84bab3ee5e2f6426f94 | shasum -a 256