Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2016

Onder 4.40 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1130.

(…) De enkele aanwezigheid van een dienstbetrekking is echter niet voldoende om tot loon te komen. Een voordeel is volgens het Smeerkuilarrest van de Hoge Raad van 29 juni 1983 (BNB 1984/2) niet als loon aan te merken als het niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt. De door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een ongeval aan zijn werknemer betaalde vergoeding voor immateriële schade vond volgens de Hoge Raad - met uitzondering van bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst - niet zozeer zijn grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt. Het Smeerkuilarrest gaat naar onze mening voor de agenten niet op, omdat hier wel sprake is van bijzondere omstandigheden. De agenten hadden op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie de mogelijkheid om de vordering tegen de nominale waarde te cederen, een mogelijkheid die niet bestond voor andere geweldsslachtoffers. De Hoge Raad haalt het Smeerkuilarrest - helaas - niet aan, maar beslist naar onze mening impliciet dat de "niet zozeer"-rechtspraak niet van toepassing is. De Hoge Raad bevestigde namelijk zonder motivering, onder toepassing van artikel 81 van de Wet RO, dat de vergoeding voor de agenten loon was in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet LB. De vergoeding die bestaat uit het verschil tussen de nominale waarde van de vordering op de dader en de werkelijke, aanzienlijk lagere waarde ontleent de agent dus rechtstreeks aan zijn dienstbetrekking en de vergoeding vormt dus loon. Vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, worden uitgezonderd van het loon (art. 11, lid 1, onderdeel a, Wet LB; tekst 2005) of vormen vrije vergoedingen (art. 15, onderdeel b, Wet LB). De Hoge Raad is van mening dat daarvan in deze zaak sprake is. Het overnemen van de vorderingen was volgens de Hoge Raad niet bedoeld om de agenten als werknemers te belonen, maar diende de publieke dienstverlening. Daaruit trekt de Hoge Raad dan de conclusie dat het voordeel naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren. Op dit punt hadden wij graag een uitgebreidere motivering gezien. De vergoeding die de agenten hebben ontvangen, heeft hun werkgever niet betaald om hen te belonen voor hun arbeid, maar dat is volgens ons ook niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of naar maatschappelijke opvattingen een beloningsvoordeel wordt ervaren. In ons commentaar bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden (zie FutD 2013-1902 met ons commentaar) vermeldden wij hierover het volgende: als de agent van zijn werkgever méér ontvangt dan het "rechtstreeks" van de veroordeelde te ontvangen bedrag, ontleent de agent dat meerdere naar onze mening onmiskenbaar aan zijn dienstbetrekking. Wij zagen destijds niet in dat maatschappelijke opvattingen zouden meebrengen dat de vergoeding ook in zoverre niet als beloningsvoordeel zou kunnen worden aangemerkt. Ook nu zijn wij daarvan bij gebrek aan een verdere toelichting van de Hoge Raad niet overtuigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a20fbb2a4538f2cb2718625d8cbad21f7e13a92d64c6b84bab3ee5e2f6426f94. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a20fbb2a4538f2cb2718625d8cbad21f7e13a92d64c6b84bab3ee5e2f6426f94, en de alinea staat in dat document op bytes 96003 tot 99180.